De eerste buurman bleef even staan terwijl ze een bundel met touw vastbond. Hij keek toe en wees toen naar de groeiende stapel. ‘Ben je van plan die aan iets te voeren?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei ze. ‘Ik leg ze rondom de hut.’ Hij lachte. ‘Eromheen?’ Ze knikte. ‘Langs de muren die het meest aan de wind blootstaan.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat zijn bloemstengels, geen timmerhout.’
Ze zei er niets van. In plaats daarvan droeg ze het bundeltje naar de noordkant van de hut en zette het rechtop tegen een houten frame. Er volgden er nog meer. De stengels waren droog en stevig samengepakt, maar ze liet wat ruimte over zodat de lucht kon circuleren en er geen vocht tegen de houtblokken zou blijven hangen. Haar dochter keek toe vanuit de deuropening. ‘Denk je dat hij gelijk heeft?’ vroeg ze. De vrouw trok het touw strakker aan. ‘Ik denk dat de winter daar een beter antwoord op zal geven dan hij.’
De volgende middag waren er nog twee mensen komen kijken. Eén grapte dat de hut er binnenkort als een mand zou uitzien. Een ander waarschuwde dat er muizen zouden intrekken. Ze luisterde, bedekte vervolgens de laagste delen met gaas en ging door met werken. Elke kritiek leverde haar problemen op die ze moest oplossen. Ze probeerde niet te bewijzen dat iemand ongelijk had. Ze probeerde het gewoon wat warmer te houden.