Murat stond daar en staarde naar de muur. De stemmen waren niet veranderd. Nog steeds laag. Nog steeds ongelijk. Nog steeds daar. Hij ging met zijn hand over zijn gezicht en ademde langzaam uit. “Dit slaat nergens op…” mompelde hij. Hij stapte achteruit. Toen weer naar voren. Luisterend. Wachtend. Hopend dat het zou stoppen. Dat deed het niet. Het voelde dichterbij. Alsof degene aan de andere kant dichterbij was gekomen.
Murat’s kaak verstrakte. Hij wierp een blik in de richting van het huis. Toen terug naar de muur. Niemand anders zou dit voor hem uitzoeken. De stemmen kwamen weer. Langer deze keer. Bijna duidelijk genoeg om te verstaan. Dat was het. Murat draaide zich scherp om, de garage aftastend. Zijn ogen vielen erop. De voorhamer. Leunend tegen de muur. Hij staarde er even naar.
Toen liep hij erheen en pakte hem op. Het gewicht rustte in zijn handen. Stevig. Zeker. Murat draaide zich terug naar de muur. De stemmen stopten niet. Hij stapte in positie en verstevigde zijn greep.
Hij dacht er even over na, een enkel moment en toen hij klaar was, zwaaide hij.