“Michael?” Fluisterde Mathew met trillende stem. Hij klauterde de laatste meters van het pad omhoog, zijn laarzen glibberend over het verraderlijke ijs. Hij draaide om een groot, plat rotsblok heen dat een kleine holte overspande. Zijn zaklamp straalde in de duisternis van de spleet en even dacht hij dat zijn geest hem voor de gek hield.
Daar zat Michael. Hij had een kleine, droge nis gevonden waar de sneeuw niet was gekomen. Hij zat ineengedoken in een bolletje, maar hij huilde niet. In zijn handen hield hij twee grijze stenen die hij rustig tegen elkaar sloeg. Hij keek op naar Mathew, zijn ogen knipperend tegen het licht, zijn gezicht bezaaid met vuil maar opmerkelijk kalm.