De stilte in het huis was het eerste wat Mathew opviel. Het was niet de vredige stilte van een middag in een bergdorp; het was een zware, onnatuurlijke leegte. Hij was even in de schuur geweest om de messen van de sneeuwblazer te slijpen. Hij had de zesjarige Michael aan de keukentafel laten zitten met een stapel legoblokjes. Maar toen Mathew binnenstapte, was het enige geluid het gezoem van de koelkast.
“Mike? Buddy, ben je al klaar?” Riep Mathew, terwijl hij vet van zijn handen veegde met een vod. Er kwam geen antwoord. Hij liep de woonkamer in, verwachtte de jongen achter de bank te vinden of in een boek gekluisterd. De kamer was leeg. Een enkel rood Legoblokje lag op het tapijt en zag er vreemd verlaten uit. Mathew’s hartslag begon te versnellen, een klein vonkje van onbehagen ontbrandde in zijn borstkas.
Hij controleerde de slaapkamers boven en daarna de kelder. Elke lege kamer deed zijn hart een beetje sneller kloppen. Hij rende terug naar de keuken en merkte wat hij eerder had gemist. De zware houten achterdeur zat niet op slot. Een dun laagje sneeuw had zich al op de vloer opgestapeld, een witte vinger die naar de uitgestrekte, meedogenloze bossen van de berg wees.