Leo reikte naar zijn waterfles, maar stopte halverwege. Een plotselinge, diepe kilte sneed door de vochtige namiddaglucht. Het felle zonlicht dat op het water weerkaatste, verdween en maakte plaats voor een abrupte, allesomvattende duisternis. Hij knipperde met zijn ogen en keek omhoog naar de lucht, in de verwachting dat een verdwaalde onweerswolk de zon zou bedekken. De lucht boven hem was volkomen helder.
Toen keek hij naar beneden. Het water direct onder zijn boot was veranderd van helderblauw in een ondoordringbare, inktzwarte schaduw. Een enorme, donkere vorm breidde zich naar buiten uit en slokte hem op in de duisternis. Zijn hart bonkte tegen zijn ribben. Kwam er een walvis uit de diepte omhoog?
Een ritmische, lage trilling deed zijn tanden klapperen nog voordat hij het daadwerkelijk hoorde. Het kwam niet uit de diepte beneden hem. Het was een enorm, mechanisch gegrom dat recht achter zijn schouder weerklonk. Leo draaide zich om, waarbij de adem onmiddellijk in zijn keel bleef steken. Een torenhoge muur van verroest, zwart staal doemde boven zijn boot op en verduisterde de horizon.