Nora plaatste de foto en de boekhoudkundige vermelding zorgvuldig in de online collectie van het Victorian Lives-archief. Onder het fotolijstje speldde ze een kaartje: Margaret Calloway, 8 jaar. Eleanor Mary Holt, 6 jaar. Harley Row, Londen, 1895.
Een week later kwam er een pakketje uit Bristol op haar kantoor aan. Daarin zat een zwart-witfoto uit de jaren zestig. Daarop was een vrouw van in de zeventig te zien, zittend in een zonovergoten tuin, glimlachend met een rustige, krachtige gratie. Om haar nek ving het gouden medaillon het licht. Op de achterkant stond, in een fijn, herkenbaar handschrift, het briefje: “Eleanor, 74 jaar. Ze droeg het altijd.”
Nora speldde de foto boven haar bureau, vlak naast het Victoriaanse origineel. De twee afbeeldingen overspanden een heel leven, met als verbindende schakel een klein stukje goud en de pure, koppige wil om te bestaan. Eleanor was naamloos geweest in het register, uit het testament geschrapt en zonder ceremonie uit de wereld verdreven, maar ze had geleefd. Ze had de erkenning van haar vader vierenzeventig jaar lang tegen haar borst gedragen, wachtend tot iemand eindelijk de waarheid zou lezen die ze al die tijd bij zich had gedragen. Het verhaal was eindelijk compleet.