Op het eerste gezicht lijkt het een situatie zonder eenvoudige oplossing. Een stenen trap leidt naar de ingang van een gebouw. Geen hellingbaan. Geen zichtbare lift. Geen alternatieve ingang. En onderaan die trap zit een vrouw in een rolstoel. Ze staat even stil. Als ze naar de trap kijkt, is het duidelijk wat het probleem is. Er is geen weg naar boven. Het is een van die situaties waar de meeste mensen aan voorbij lopen zonder twee keer na te denken.
Maar voor iemand in haar positie is het geen klein ongemak. Het is een complete barrière. Op veel plaatsen zou dit betekenen dat je moet omkeren. Of wachten tot er iemand komt helpen. Of gewoon helemaal niet naar binnen gaan. Even voelt het alsof dat precies is wat hier ook gaat gebeuren. Dat ze zich omdraait. Of wachten tot er iemand komt helpen. Maar dat doet ze niet. In plaats daarvan leunt ze iets naar voren. Haar ogen gericht op de treden. Bijna alsof ze iets gaat proberen.
Eerst heeft het geen zin. Er is geen helling. Geen zichtbare weg naar boven. En toch… aarzelt ze niet. Ze verschuift haar positie. Gaat net iets dichterbij. Alsof ze iets weet wat niemand anders weet. Er is een korte pauze. Lang genoeg om je af te vragen wat ze denkt.
En dan gebeurt er iets.