Er is nog een ruimte in het gebouw waar Maya vaak aan denkt, ook al maakt die geen deel uit van haar eigen appartement. Hogerop, op de vijfde en laatste verdieping, is er nog een eenheid. Het heeft een lopend balkon, wat bijna luxueus klinkt vergeleken met de rest van het gebouw. Maar het appartement zelf is in erbarmelijke staat achtergelaten, wat laat zien wat er kan gebeuren als een klein appartement niet meer zorgvuldig wordt beheerd.
Door die kamer gaat Maya anders naar haar eigen ruimte kijken. Een klein appartement kan slim aanvoelen als het schoon, licht en georganiseerd is. Maar als het rommelig of verwaarloosd wordt, kan de wanorde zich nergens verstoppen. In een groter huis kan rommel zich langzaam verspreiden. In zo’n kleine kamer neemt het bijna onmiddellijk de overhand. De verlaten bovenwoning voelt als een waarschuwing over hoe snel compact wonen ondraaglijk kan worden zonder constante zorg.
Dus blijft Maya’s huis een vreemde kleine les in grenzen. Het heeft een gele driehoekige buitenkant, een piepkleine ingang, een keukenhoekje, een groene douchedeur, een klein bad, nepmuren van baksteen, een hoofdkamer van 2,5 meter, straatlawaai en een privétoilet dat buiten het appartement zelf ligt. Het is geen plek waar ze voor altijd zou willen blijven wonen. Maar voor een jonge internationale studente in Tokio geeft het haar iets onvergetelijks: een huis dat precies laat zien hoe klein de ruimte is waarin iemand kan wonen en hoeveel vastberadenheid er nodig is om die ruimte als de hare te laten voelen.