Lily las het hardop. De brief was van haar vader, Thomas. Hij had hem in 1943 geschreven vanaf een schip dat de SS Avonmore heette, ergens voor de kust van IJsland. Hij schreef voorzichtig, zoals mannen doen als ze weten dat een brief wel eens de laatste zou kunnen zijn. Hij schreef over de kou en de sterren en hoe de zee er ’s nachts uitzag als het rustig was, als gehamerde leisteen, zei hij. Hij schreef aan Ruth, Edna’s moeder. Hij schreef dat hij een touw voor haar had gemaakt.
“Ik heb het geweven van de beste vezels die ik kon vinden,” las Lily voor, haar stem vast maar voorzichtig. “Elke draad heb ik geweven met jou in gedachten. Als ik thuis ben, zullen we het gebruiken voor de tuin. Ik stel me de zoete erwten voor die er in de zomer in klimmen. Ik stel me voor dat jij ze verzorgt in het ochtendlicht. Bewaar het voor me. Bewaar het tot ik terugkom.”
Edna zei een lang moment niets. Ze keek naar het touw, opgerold op de keukentafel tussen de croissantzak en de theepot. “Ze heeft het bewaard,” fluisterde ze. “Al die jaren. Ze heeft het bewaard en er nooit iets over gezegd.”