Rahul wachtte niet. “We hebben iets nodig om aan te trekken,” zei hij. Geen kracht. Controle. Een van de dorpelingen rende terug. Kwam even later terug met een dik touw. Ze bewogen voorzichtig. Laag blijven. Plotselinge bewegingen vermijdend. De moeder keek toe. Nu dichtbij. Te dichtbij. Maar ze viel niet aan. Ze bewoog niet. Ze lieten het touw in de modder zakken.
Langzaam werkten ze het onder het lichaam van het kalf. Niet de benen. Niet de nek. Rond de romp. De modder bood weerstand. Verschoof. Even leek het erop dat de kuit dieper zou wegzakken. “Stop,” zei Rahul. Ze pasten zich aan, spanden zich aan en begonnen. “Langzaam.” De mannen trokken. Zachtjes. Het touw rekte zich uit. De modder hield. Toen gaf het mee, een klein beetje maar. Het kalf bewoog nauwelijks, zat nog steeds vast en dat is wanneer….
Een laag gerommel. De moeder stapte naar voren. Geen waarschuwing. Geen aarzeling. Ze reikte naar beneden. Sloeg haar slurf om het kalf. En trok. Tegelijkertijd werd het touw strakker. De mannen trokken. Langzaam. Gestaag. De modder brak. En toen, met een laatste beweging, kwam het kalf los. Het zakte op vaste grond. Ademend. Levend. Niemand sprak.
De moeder liet haar hoofd zakken. Raakte het kalf aan. Eenmaal. Toen nog een keer. Rahul stapte achteruit. Omdat dit moment niet meer van hen was.