Je verwacht daar geen huis te zien. Niet op die hoogte. Niet zo ver van iets dat er op afstand toegankelijk uitziet. De berg strekt zich uit in ongelijke lagen, de wind snijdt er zonder weerstand overheen. Er is niets daarboven dat doet vermoeden dat er mensen thuishoren – geen wegen, geen hekken, zelfs geen fatsoenlijk pad dat je met een gerust hart kunt volgen. En dan zie je het. Een klein huisje dat op de top staat alsof het er altijd al heeft gestaan.
In eerste instantie voelt het verkeerd. Niet verlaten. Niet gebroken. Gewoon… misplaatst. Huizen hebben meestal een context. Wegen die er naartoe leiden. Tekenen van andere mensen in de buurt. Iets dat verklaart waarom ze staan waar ze staan. Dit huis biedt niets van dat alles. Het staat alleen, omringd door niets anders dan open land en stilte. We stonden langer stil dan de bedoeling was, in een poging het te begrijpen. Want hoe meer je kijkt, hoe vreemder het wordt.
De structuur ziet er onderhouden uit. Het dak intact. De muren stevig tegen de wind. Wat de vraag moeilijker te negeren maakt. Niet hoe het daar is gekomen. Maar waarom het er nog steeds staat. En toen ontmoetten we haar: