Arthur zweefde vlak boven de zeebodem, zijn zaklampstraal sneed een zwak pad door het kolkende slib. Tergend geduldig wrikte hij met zijn verkleumde vingers de dikke nylon mazen los van de grillige rotsen waar het net in vast was komen te zitten. Hij kon zich geen enkele scheur in het net veroorloven, dus knoopte hij de koorden centimeter voor centimeter los, het brandende gevoel in zijn longen negerend. Toen het net eindelijk los kwam van het rif, scande hij de directe omgeving om er zeker van te zijn dat de rest van zijn uitrusting vrij was van de grillige steen.
Op dat moment viel het licht op een gedaante die er niet hoorde te zijn – een starre figuur in een holte een paar meter verderop. Het was een ouderwets duikpak, een relikwie met koperen kop uit een ander tijdperk, de canvas ledematen verstijfd door tientallen jaren zout en druk. De zware loden laarzen zaten vastgeklemd in het zand, waardoor het leek op een stille schildwacht die de geul bewaakte.
Maar het was niet het pak dat Arthur opviel, het was wat er onder zijn zware, uitgestrekte arm lag.