Drie weken eerder was Luna verschenen in de bocht bij Hollow Creek Road, ribben te zien onder een opgezwollen buik. Ava reed haar eerst bijna voorbij. De hond stond naast de sloot in de regen, trillend maar niet rennend, alsof ze al haar kracht had verbruikt om daar te komen. Het asiel was vol geweest. De ambtenaar van de dierenbescherming vroeg of Ava haar “maar een paar nachtjes” kon houden Ava stemde toe en kocht dekens, puppyvoer en een tweedehands hondenbed voordat de week voorbij was.
Luna was zachtaardig, maar rusteloos. Ze volgde Ava van kamer naar kamer en sliep lichtjes, wakker bij elk geluid. Sommige avonden stond ze voor het achterraam en staarde naar de velden en de donkere bomenrij achter de tuin. Ava nam aan dat het angst was – een zwerfhond die leerde dat deuren dicht konden zonder haar op te sluiten, een zwangere moeder die zich veilig wilde voelen.
Maar er was één ding dat Ava had genegeerd. Elke avond, vlak voor de schemering, krabde Luna aan de achterdeur en keek in de richting van het oude pottenbakkersschuurtje. Niet naar de weg. Niet de etensbak. Niet het warme kleed bij de kachel. Het schuurtje. Ava had gedacht dat Luna gewoon een eigen plek wilde om te bevallen. Nu vroeg ze zich af of Luna daar al lang voor de storm iets had gehoord.