Leo baande zich een weg door de woonruimtes, terwijl hij zijn rug dicht tegen de metalen wanden hield. Hij duwde een zware deur open en stapte de kombuis van het schip binnen. De ruimte was gevuld met de warme, geruststellende geur van runderbouillon, wat de totale afwezigheid van mensen nog verontrustender maakte. Op het industriële fornuis stond een grote pan soep op een pit die op laag vuur was gezet. Stoom steeg zachtjes op naar de ventilatieopening in het plafond.
Op de lange houten eettafel stonden verschillende kommen netjes opgesteld. In één kom zat nog ontbijtgranen die helemaal doorweekt waren, met de lepel tegen de rand. Vlakbij was een plastic beker omgevallen; een klein plasje sinaasappelsap was nog nat op het oppervlak.
Alles werkte perfect. De elektriciteit was aan, het eten was warm en het schip leek volledig functioneel. Er waren geen sporen van een worsteling, geen rook en geen water. Waarom zou een bemanning midden tijdens de maaltijd een perfect functioneel schip in de steek laten?