Een paar nachten later werd Chloe om 3.00 uur ’s nachts wakker van een plotselinge dorst. Ze liep op haar tenen door de stille gang naar de keuken voor een glas water, in de verwachting Max opgerold aan het voeteneinde van haar bed te vinden. In plaats daarvan was het huis muisstil. Paniek welde in haar borstkas op. Ze zocht de woonkamer af, maar Max was nergens te bekennen.
Met een bonzend hart stapte ze het achterterras op en schijn met de zaklamp van haar telefoon in de dichte bomenrij die aan haar terrein grensde. Een beweging trok haar aandacht. Uit de schaduwen kwam Max tevoorschijn. Hij rende niet en was niet in paniek; hij liep doelbewust terug naar het huis. Nog schokkender was dat hij zijn bek stevig om een groot, eersteklas soepbot had geklemd dat Chloe eerder die avond in zijn kom had achtergelaten.
Hij had het niet opgegeten. Hij was helemaal met lege handen uit het bos teruggekomen. Een huiveringwekkende gedachte schoot door Chloe’s hoofd: de geruchten waren waar, maar Max was niet op de vlucht voor het roofdier. Hij sloop juist actief de duisternis in om het te voeden.