De eerste paar dagen verliepen prima. Rex gedroeg zich keurig, at op tijd en sliep bij de achterdeur. George liet hem ’s ochtends voor het werk uit en vond dat onverwacht prettig. De hond had iets rustgevends, een oplettendheid die de wandeling zinvol deed aanvoelen.
Rond de derde dag begon Rex Zoe te volgen. Hij liep niet heen en weer en jankte niet. Hij ging gewoon naast haar staan, zoals een schaduw dat doet, zonder gedoe. Als ze naar de keuken ging, stond hij in de deuropening. Als ze naar boven ging, stond hij onderaan de trap als ze weer naar beneden kwam, rechtop zittend, met zijn oren naar voren.
George maakte er een opmerking over, maar Zoe haalde glimlachend haar schouders op. “Hij ruikt waarschijnlijk de koekjes die ik in mijn zak had,” zei ze. George lachte. Hij dacht dat dat waarschijnlijk wel zo was.