Elke trede van de steile metalen trap voelde tergend langzaam aan. Het schurende geluid liet op zich wachten, waardoor alleen het geluid van Leo’s eigen oppervlakkige ademhaling het krappe trappenhuis vulde. Hij bereikte het bovendek en stond voor de zware deur van de brug – de hoofdcontrolekamer. Het bewegende licht kwam van binnenuit. Hij zette zijn schouder tegen het stalen kozijn, greep de klink vast en duwde de deur open, terwijl hij zich schrap zette voor wat er ook aan de andere kant op hem wachtte.
De ruimte was volkomen leeg. Leo haalde schokkerig adem en liet zijn zaklamp zakken. Het ‘flikkerende licht’ was geen indringer met een lantaarn. Het was een enorm, felrood waarschuwingsscherm op de hoofdbedieningsconsole, waarop één bericht keer op keer knipperde. De weerspiegeling van de rode tekst weerkaatste op de grote glazen ramen, waardoor het leek alsof er van beneden beweging kwam.
Hij stapte het commandocentrum binnen, terwijl de gloed over zijn gezicht spoelde.