De koffer ging niet gemakkelijk open. Het leer was stug en het ijzeren hangslot zag eruit alsof het in geen tientallen jaren was aangeraakt. Arthur probeerde twee kleine sleutels uit zijn la, hoewel hij wist dat ze niet zouden werken. Toen probeerde hij een oude schroevendraaier. Het slot bewoog niet.
Tot slot ging hij naar de kast en vond een boutensnijder die hij jaren geleden had gekocht en nooit had gebruikt. Hij voelde zich dwaas toen hij ze boven de koffer hield, als een crimineel in zijn eigen eetkamer. Toch kneep hij in de hendels. Het slot knapte.
Even glimlachte Arthur. Toen tilde hij het deksel op. Eerst kwam de geur: stof, oud leer en iets zoets eronder. Binnenin lagen opgevouwen overhemden, een gebarsten scheerspiegel, een notitieboekje en het in fluweel verpakte voorwerp. Toen Arthur de bundel aanraakte, gaf deze een kleine trilling. Toen begon het getik.